4-96

4-96

Sénat de Belgique

Annales

JEUDI 19 NOVEMBRE 2009 - SÉANCE DE L'APRÈS-MIDI

(Suite)

Demande d'explications de M. Louis Ide à la vice-première ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargée de l'Intégration sociale et à la vice-première ministre et ministre de l'Emploi et de l'Égalité des chances, chargée de la Politique de migration et d'asile sur «les congés de maternité pour les médecins en formation» (nº 4-1166)

M. le président. - M. Olivier Chastel, secrétaire d'État aux Affaires européennes, répondra.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Vrouwelijke huisartsen in opleiding die zwanger zijn, hebben recht op een aantal maanden zwangerschapsverlof zonder dat dit een nadeel mag vormen voor hun opleiding. Dit is een recente verworvenheid en een goede zaak. Een zwangerschapswens zal vrouwelijke collega's niet meer beletten zich te specialiseren in de huisartsgeneeskunde.

Bij specialisten in opleiding geldt de regeling ook en al langer. Door de regeling krijgen vrouwelijke artsen gelijke kansen in de opleiding en zullen ze een carrière in de medische wereld kunnen uitbouwen.

In de Klinische Biologie gelden volgende regels. Voor een gehele opleiding van vijf jaar, aanvaarden de Erkenningscommissie voor geneesheren-klinisch biologen en de Erkenningscommissie voor apothekers-klinisch biologen een onderbreking van vier aaneensluitende maanden zwangerschapsverlof, zonder verlenging van de totale opleidingsduur. Elke langere onderbreking of nieuwe onderbreking ten gevolge van een volgende zwangerschap zal leiden tot een verlenging van de opleidingsduur met het aantal afwezige dagen.

Voor vele ziekenhuizen zijn assistenten die op een zucht van hun erkenning staan de `interessantste' werknemers. Ze werken zelfstandig en zijn als het ware goedkope werkkrachten. Los van de discussie hoe die assistenten verdeeld moeten worden over de periferie en de universiteiten, en waar deze bijna specialisten werkzaam zijn, doet zich soms volgend probleem voor.

Meer en meer zijn er subspecialisaties in de specialisatie. Wil men bijvoorbeeld nefroloog worden, dan dient men zes jaar te specialiseren. Meestal stelt men dit voor als vijf jaar `algemene inwendige geneeskunde' en één jaar `subspecialisatie'. Dit is natuurlijk kort door de bocht, want de arts-assistent moet gedurende al die jaren meedraaien in alle disciplines en kwam dus al veel in contact met de nefrologie.

Als een vrouwelijke assistente zwanger wordt in haar laatste jaar, het zogenaamde subspecialisatiejaar, dan moet zij rekening houden met het feit dat zij de afwezige dagen moet inhalen.

Door de opleiding niet als één geheel te zien, maar als een `basisopleiding' van vijf jaar en één specialisatiejaar rijzen er vragen in geval van zwangerschap. Vrouwen stellen zwangerschap nogal eens uit in functie van hun carrière. Vrouwen bestraffen wegens een zwangerschapswens is daarenboven erg vrouwonvriendelijk.

Vindt de minister dat vrouwelijke assistenten die zwanger worden tijdens hun opleiding van zes jaar, `gestraft' moet worden met een verlenging van de opleiding? Ik noem het `straffen', want door die verlenging komen ze later op de arbeidsmarkt en verminderen ze hun kansen op het vinden van de juiste job.

Het komt nogal opportunistisch over dat stagemeesters deze zelfstandig werkende bijna-specialisten langer en goedkoop aan het werk kunnen houden. Wat vindt de minister daarvan?

Wat vindt de minister van het idee van eindtermen? Waarom bijvoorbeeld de kandidaat gastro-enteroloog niet een bepaald aantal gastroscopieën in een jaar laten uitvoeren en de stagemeester een sanctie opleggen als het aantal niet wordt gehaald? Hij zou bijvoorbeeld tijdelijk kunnen worden geschorst. Met een dergelijke regeling fixeren we ons niet meer op het aantal jaren, maar op eindtermen en doelstellingen. De stagemeester moet ervoor zorgen dat de doelstellingen gehaald worden door de arts in opleiding effectief de onderzoeken te laten doen.

De heer Olivier Chastel, staatssecretaris voor Europese Zaken. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

Ook in de discussie over de zwangerschap bij artsen in opleiding moeten we er allereerst over waken dat alle artsen, ongeacht hun geslacht, op dezelfde wijze opgeleid worden, want de kwaliteit van de zorg aan de patiënt hangt daarvan af.

Zwangerschap bij artsen in opleiding wordt in de eerste plaats geregeld door het koninklijk besluit van 21 april 1983 tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van geneesheren-specialisten en van huisartsen. Dat bepaalt: `Een onderbreking van de stage mag in geen geval de totale duur van de opleiding verkorten. Wanneer de kandidaat gedurende minstens drie maanden zijn opleiding heeft moeten onderbreken, dient hij onmiddellijk de bevoegde kamer van de erkenningscommissie daarvan in kennis te stellen met opgave van de redenen van onderbreking. De kandidaat zal aan de bevoegde kamer voorstellen doen met het oog op een aanvullende stageperiode.'

Verder bepaalt het ministerieel besluit van 30 april 1999 tot vaststelling van de algemene criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, stagemeesters en stagediensten, dat alleen betrekking heeft op de kandidaat-specialisten, in artikel 2 dat:

`§5. De opleiding moet ononderbroken worden gevolgd, behoudens afwijking toegestaan door de bevoegde erkenningscommissie overeenkomstig de richtlijnen van de minister. Elke onderbreking van meer dan 15 weken, berekend over het geheel van de opleiding, moet worden ingehaald op het einde van de opleiding voor het deel dat de 15 weken overschrijdt.

§6. De zwangere kandidaat-specialist, geniet van de bepalingen inzake de moederschapsbescherming, geregeld bij de arbeidswet van 16 maart 1971 en bij het koninklijk besluit van 2 mei 1995 inzake de moederschapsbescherming.

Zij geeft zo snel mogelijk haar stagemeester en de bevoegde arbeidsgeneeskundige dienst kennis van haar zwangerschap. (...).

Zo nodig moet de stagemeester, in overleg met de arbeidsgeneeskundige dienst, haar uit een risicovolle omgeving transfereren naar een veilige omgeving waar zij haar opleiding kan voortzetten.'

Uit deze twee artikelen blijkt dat een zwangere kandidate geacht wordt haar opleiding voort te zetten en dat, indien ze die moet onderbreken, elke onderbreking van meer dan vijftien weken, berekend op de volledige opleiding, moet worden ingehaald aan het einde van de opleiding, voor het deel dat de vijftien weken overschrijdt.

Deze bepalingen, die specifiek slaan op de opleiding en meer bepaald op het verloop van het stageplan onder controle van de bevoegde erkenningscommissie, gelden ongeacht het statuut van de kandidaat bij de instelling waar de kandidaat stage loopt (bediende, zelfstandige, ...) en ongeacht de rechten die er voor de kandidaat uit zouden voortvloeien.

Omdat de stage deel uitmaakt van de opleiding van de kandidaten, zou het ongepast zijn de effectieve duur van de opleiding te veel in te korten. Die lange periode is immers nodig om de kandidaten goed te kunnen vormen in hun specialisatie.

Ik ben echter bereid te praten met de verschillende actoren op het terrein om een betere regeling te vinden voor de zwangere vrouwen.

Ik liet recent een nieuw statuut voor de huisartsen in opleiding goedkeuren, dat de zwangere collega's beschermt en hen eindelijk recht geeft op betaald zwangerschapsverlof.

Over het aspect `kwantitatieve uitdrukking' van de erkenningscriteria zijn de artsen bijzonder verdeeld. De meningen gaan van een voorkeur voor kwalitatieve tot een voorkeur voor kwantitatieve elementen.

Op pedagogisch vlak is het essentieel om de nodige competenties te definiëren en om op het einde van de stage na te gaan of deze competenties verworven werden. Het spreekt voor zich dat de competenties niet kunnen worden herleid tot een precies aantal technische handelingen. Een heel andere zaak is het definiëren van een minimumaantal handelingen in bepaalde specialismen en dit onafhankelijk van het aantal jaren opleiding.

België heeft al lang geleden gekozen voor een beroepsopleiding met evaluatie door gelijken. Het is een keuze die ik zal respecteren, zolang de artsen er zelf mee tevreden zijn.

Er wordt thans gewerkt aan het moderniseren van de criteria, die meer kwantitatieve elementen zullen invoeren.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Er moet inderdaad een gezond evenwicht worden gezocht tussen kwalitatieve en kwantitatieve handelingen. Het is geruststellend dat de minister bevestigt dat de opleiding als huisarts of specialist een beroepsopleiding is, die door artsen zelf wordt geëvalueerd.

Het is mij enigszins ontgaan of de minister heeft geantwoord op mijn specifieke vraag over de regeling voor zwangere artsen in opleiding, meer bepaald in verband met specialisatie en subspecialisatie. Ik zal het antwoord nalezen en kom er eventueel later op terug.