4-16

4-16

Sénat de Belgique

Annales

JEUDI 14 FÉVRIER 2008 - SÉANCE DE L'APRÈS-MIDI

(Suite)

Demande d'explications de M. Louis Ide à la ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «le médecin qui a contaminé des patients à l'hépatite» (nº 4-105)

M. le président. - Mme Inge Vervotte, ministre de la Fonction publique et des Entreprises publiques, répondra.

De heer Louis Ide (CD&V-N-VA). - In De Standaard van 1 februari 2008 las ik tot mijn grote ontzetting dat een collega-arts sinds enkele jaren patiënten zou besmetten door voor verschillende patiënten dezelfde naald te gebruiken. Volgens De Standaard zou het gaan om 20 patiënten, maar volgens mijn informatie zou het gaan om 40 patiënten. Ik leer verder uit het artikel dat de gebruikelijke procedures werden opgestart om het geval te onderzoeken en om zo nodig op te treden.

Nog volgens mijn eigen informatie kreeg de dienst Toezicht Volksgezondheid van de Vlaamse Gemeenschap als eerste kennis van mogelijke problemen. Dat is ook logisch, aangezien hepatitis B in het lab wordt gediagnosticeerd, en laboratoria die gevallen moeten melden aan de dienst Toezicht Volksgezondheid. Toezicht Volksgezondheid zou alles gedaan hebben wat binnen zijn mogelijkheden en bevoegdheden ligt om de zaak uit te spitten.

De Orde Van Geneesheren Limburg zou de man al hebben geschorst. Betrokkene zou echter in beroep gegaan zijn en dan geldt de opschortende voorwaarde.

De provinciale commissie Volksgezondheid van de provincie Limburg zou pas later gereageerd hebben, omdat ze in die periode bij gebrek aan voorzitter niet operationeel was. Zodra een voorzitter was aangesteld, trok de commissie het visum van de arts in. Ook tegen die beslissing ging betrokkene in beroep en dus gold opnieuw de opschortende voorwaarde.

Tenslotte viel bij de huisarts een bepaald voorschrijfgedrag op, dat door een apotheker aan de geneesmiddelencommissie gesignaleerd werd.

Is deze situatieschets volgens de minister correct? Zo ja, hoe komt het dan dat de provinciale commissie Volksgezondheid Limburg in die periode niet operationeel was?

Hoe komt het dat geen gevolg werd gegeven aan het signalement van de apotheker aan de geneesmiddelencommissie?

Wat stelt de minister voor om dergelijke situaties in de toekomst te vermijden? Het gaat uiteindelijk om menselijke drama's met een zeer hoge maatschappelijke kost.

Mevrouw Inge Vervotte, minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

Uit het rapport dat ik aan mijn administratie heb gevraagd, kan ik alleen besluiten dat de Orde der Geneesheren tot op heden in dit dossier niet is opgetreden. Alleen de Medische Commissie heeft concrete maatregelen genomen op basis van haar beperkte bevoegdheid voor het intrekken van het visum van artsen die lichamelijk of geestelijk ongeschikt zijn om hun beroep uit te oefenen.

Mijn voorganger zou bij het begin van de regeerperiode overwogen hebben om de opdrachten en de werking van de medische commissies te herzien. Niettemin werden in 2006 opnieuw voorzitters en vice-voorzitters van de commissies benoemd. Voor de goede werking van het bureau waren die benoemingen van wezenlijk belang. Het dossier dat u aankaart, zou derhalve niet onder die situatie geleden hebben.

In dit stadium kunnen mijn diensten niet bevestigen dat de zaak bij de Commissie geneesmiddelen aanhangig werd gemaakt.

Tot slot lijkt het me duidelijk dat we enerzijds de gebruikelijke maatregelen moeten nemen, onder meer via de Orde der Geneesheren - ik zal mijn administratie verzoeken om met hen contact op te nemen - en dat we anderzijds de medische Commissies moeten hervormen zodat ze beter kunnen werken. Ik overweeg bovendien om het opschortende karakter van de beroepsprocedure tegen de beslissingen van de medische Commissies te herzien.

De heer Louis Ide (CD&V-N-VA). - Ik dank de minister voor haar antwoord.

Eer wie ere toekomt: Toezicht Volksgezondheid was als eerste op de hoogte en is als eerste opgetreden. Het is een administratie van de Vlaamse Gemeenschap die met haar neus op die problematiek zit. De betrokken inspecteur heeft zelfs contact opgenomen met de betrokken arts. Helaas reikt de bevoegdheid van Toezicht Volksgezondheid niet verder.

Het verbaast me dat de Orde der geneesheren Limburg niet zou zijn opgetreden. Dat is tegenstrijdig met de informatie waarover ik beschik. De Provinciale Commissie Volksgezondheid is wel opgetreden, maar kwam bij gebrek aan voorzitter te laat.

Het voorschrijfgedrag van de huisarts sprong in het oog en was gerapporteerd aan de Geneesmiddelencommissie.

Ik kom dus tot het besluit dat de federale administratie in haar werking heeft gefaald en dat Toezicht Volksgezondheid van de Vlaamse Gemeenschap adequaat is opgetreden.

Ik kan de minister alleen adviseren om de bevoegdheden van Toezicht Volksgezondheid uit te breiden zodat die administratie daadwerkelijk tussenbeide kan komen. Dat zou getuigen van efficiënt en behoorlijk bestuur.